Van Duijn Goudse pijpmakersfamilie”

 

Van Duijn historie over een kleine
zelfstandige Goudse pijpmakersfamilie

  

  

  

  

  

  

Martinus Nicolaas van Duijn

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

 

De man op de foto is mijn grootvader, Martinus Nicolaas van Duijn, pijpmaker, geboren op 4 augustus 1855.
Het is de vader van mijn moeder. In zijn fabriekje aan de Peperstraat maakte hij pijpen onder de naam
“de Gekroonde 65”. Het assortiment was enorm; er werden miniatuurpijpjes van 5 cm lang gemaakt,
gewone pijpen voor dagelijks gebruik en pijpen voor speciale gelegenheden, zoals de bomkop.
Dit was een heel grote pijp met een kop van 10 cm hoog en een diameter van 6 cm.
Het uithangbord van de pijpwinkel is aan het museum De Moriaan geschonken.
Op dit bord staat het merk “de Gekroonde 65” met aan weerszijden pijpen, links een pijpenpot en rechts een pijpenkistje.

 

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

Grondlegger (1785) De grondlegger van het bedrijf was Hendrik van Duijn, geboren in 1785.
Toen hij vijftien was, besloot hij pijpmaker te worden.
In 1813 legde hij met goed gevolg zijn pijpmakersproef af en was toen meester-pijpmaker.
Hij begon een eigen bedrijf dat achtereenvolgens aan de Bogen, in de Zak en aan de Molenwerf was gevestigd.
De zaken gingen goed en vanaf 1838 was het bedrijf gevestigd in de Peperstraat, op nummer 132.
Deze straat was met de Keizerstraat, Kuiperstraat en de Raam het centrum van de pijpnijverheid.
Vanaf 1850 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Adrianus.
In 1855 werd het gilde van de pijpmakers opgeheven en vervangen door een Vereniging voor Pijpenfabrikanten.

Ploeteren voor een boterham Voor de kleine bedrijven bleef het ploeteren voor een minimumbestaan.
In de tweede helft van de negentiende eeuw groeiden de grote bedrijven, terwijl de kleine eenmansbedrijven
langzaam wegkwijnden. Toen Adrianus in 1882 overleed, zette zijn vrouw de zaak voort.
Zoon Adrianus ging bij een grote pijpfabrikant het vak leren. Toen moeder drie jaar later overleed,
nam een andere zoon, Martinus, de zaak over. En dat was dus mijn grootvader.
Hij moest wel zevenhonderd gulden aan zijn broer betalen om hem uit te kopen.
Een enorm bedrag voor zo’n kleine zelfstandige. Zeker als je bedenkt dat een gewone witte pijp 1 cent kostte,
een witte krulpijp 10 cent en een beschilderde pijp een kwartje. Het was natuurlijk allemaal handwerk.
Mijn grootvader had twaalf medewerkers, mannen, vrouwen maar ook kinderen; die mochten toen nog werken.
De mannen stampten de grondstoffen en maakten de klei en de kinderen rolden stukjes klei uit tot langwerpige stroken.
Daarna was het kasten de taak van de vrouwen (klei in vorm bewerken) en tenslotte zorgden de mannen er weer
voor dat de pijpen vervoerd werden naar een pottenbakker, waar ze werden gebakken.
Natuurlijk moesten ze daar ook weer worden opgehaald, dus heel wat werk om een paar centen te verdienen.

Van Velzen Mijn grootvader was in 1878 getrouwd met Neeltje Smit uit Oudewater.
Hun oudste zoon, Nicolaas, geboren in 1879 werkte in het bedrijf van zijn vader.
Toen hij in 1902 met Clara van Velzen trouwde, ging hij werken in het bedrijf van zijn schoonvader,
pijpfabrikant Van Velzen aan de Nieuwe Haven, op nummer 7 en 9. Hier is nu de groentenzaak Het Westland.

H. van Rijst Toen schoonpapa in 1915 stierf, zette Nicolaas van Duijn het bedrijf voort onder
de naam H.van Rijst.
Het bedrijf was inmiddels aanzienlijk ingekrompen; er werkten nog maar tien man. Het verval in de pijpmakerij
zette door, maar de genadeslag kwam toen in 1916 de Russische revolutie uitbrak. Nico verloor een aanzienlijk
deel van zijn kapitaal dat hij in Russische obligaties had belegd. Door geldgebrek moest het gezin verhuizen naar
Nieuwehaven 96, een pand dat al in eigendom was.
Nieuwehaven 7 en 9 werden verkocht aan de coöperatie die er een broodbakkerij vestigde.

Zuinigheid en hard werken Op nummer 96 was geen sprake meer van een fabriek.
Het bedrijf kreeg de naam Nico van Duijn van Velzen. Nico, zijn vrouw en twee medewerkers maakten de pijpen.
Met zuinigheid en hard werken kwamen ze door de crisistijd.

Kleine zelfstandige pijpmakers Het begin van de tweede wereldoorlog maakte een definitief einde
aan de laatste ambachtelijke pijpmakerij in Gouda. Nico stierf in mei 1945, een paar dagen na de bevrijding, aan
hongeroedeem. Hiermee kwam een einde aan vier generaties pijpmakers van Duijn. Het was wel niet
zo’n bekende naam als Regina of Van der Want, maar de Goudse Pijp is ook altijd een product van kleine
zelfstandigen geweest, van wie de historie vaak niet bekend is.

Bron: Cilia den Boer (2013) (maart , 20 maart 2003) Nel van Hofwegen-Bruijnel, geboren 1 juni 1923